TWEE BESCHOUWINGEN OVER MIJN WERK

ÔNeem mij en eetÕ. Over De wet van behoud van energie van Maria van Daalen

van mw. dr. Anne Decelle, docente aan de Katholieke Hogeschool Leuven

en

Spannende sonnetten

van prof. dr. Thomas Vaessens, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam

 

ÔNeem mij en eetÕ. Over De wet van behoud van energie van Maria van Daalen

*gepubliceerd in het Vlaamse literaire tijdschrift Nieuwzuid, jrg 8 (2007-2008), nr.30

 

Anne Decelle

© Anne Decelle, overgenomen met toestemming auteur

 

In een ge•soleerd systeem is de totale hoeveelheid energie constant: zo luidt de eerste hoofdwet van de thermodynamica, beter gekend als de Ôwet van behoud van energieÕ. Tot in de negentiende eeuw slaagde men er niet in te verklaren waarom bij allerlei processen de zichtbare energie langzaam maar zeker verloren ging. Een bewegende slinger, bijvoorbeeld, komt op een bepaald moment toch tot stilstand. Dankzij de wet van behoud van energie weten we dat dit slechts een schijnbaar verlies is: de zichtbare energie verdwijnt niet, maar wordt omgezet in warmte-energie. Met andere woorden: de energie in een ruimte gaat nooit verloren; ze is onderhevig aan voortdurende transformaties en verschuivingen, maar de som van de aanwezige kinetische en potenti‘le energie blijft constant.

Aan die eerste wet van de thermodynamica ontleende Maria van Daalen de titel van haar nieuwste bundel De wet van behoud van energie (2007). Van behoud is op het eerste gezicht evenwel weinig te merken: het lange titelgedicht is ŽŽn lange tirade, zonder hoofdletters en eindpunten, over het einde van een gewelddadige liefdesrelatie. Het gedicht opent dan ook met een beeld van scheuren, splinters en scherven:

              

               de dag ging open en de kamer was een slagveld

               glazen versplinterd en een omgevallen wijnfles

               de spiegel duizendvoud, de vaas met rozen

               een voltreffer die bloedend tussen kranten

               gordijnen losgescheurd, en de tv nog aan

               mijn bril in stukken naast de glazen taal

               die, vreemd genoeg, nog heel was (p. 14)

 

Zoals ook in haar eerdere bundels het geval was, zijn liefde en geweld onlosmakelijk verbonden in van Daalens po‘zie. ÔWie het mes hanteert is bij van Daalen geen beul, geen sadist, maar in de eerste plaats minnaarÕ, schrijft Jean-Paul den Haerynck hierover. ÔTederheid en verlangen gaan er samen met messen, bloedsporen en snijpuntenÕ (Den Haerynck 1995, p. 76). Van Daalen schrijft lichamelijke, veelal erotische gedichten en portretteert van die lichamelijkheid bij voorkeur de rauwste zijde. Verminkingen, verwondingen, breuken en lichaamsvochten worden in De wet van behoud van energie onomwonden plastisch aanwezig gesteld: Ôik ben gemerkt, geslagen en gegeten / en verbrand op elke plek waar hout groeitÕ (p. 16). Precies dat aangedane geweld echter levert de energie die nooit verloren gaat. Van Daalens eerste invulling van de wet van behoud van energie luidt dan ook als volgt:

 

               toen zei ik: een oud Haitiaans spreekwoord zegt

               Bay kou, bliye. Pote mak, sonje.

               wie slaat, vergeet, wie het merkteken draagt, onthoudt

 

               wie geweld toebrengt, verliest

               wie van geweldpleging de ontvanger is

               wordt niet geofferd, maar ontvangt de kracht van woede

               en behoudt die in het lichaam, draagt die mee

 

               dit is de wet van behoud energie

               dit zijn de werkelijke wetenschappen

 

               ik ben een onuitputtelijke bron

               ik ben een lichaam, een reservoir van woede

               ik heb woede in ontvangst genomen

               omdat ik vrij ben en een vrouw en ruimte

               al die woede, dat is energie, dat wist je niet

               ik, dank je, ik heb energie voor eeuwen

               ik kan de wereld helemaal herschrijven

               in termen van liefde en van adem (p. 16)

 

Combinaties van sterk uiteenlopende betekenisvelden, zoals hier de verbinding van de wetenschappelijke wet met een Ha•tiaans spreekwoord, zijn typisch voor van Daalens po‘zie. Ook elders in de bundel duiken overigens referenties op naar de Ha•tiaanse vodou en verwante religies uit West-Afrika en de Cariben, zoals die van de Yoruba in Nigeria of de santŽria op Cuba. De cyclus ÔOrishaÕ bestaat uit vijf gedichten die respectievelijk gewijd zijn aan de OrishaÕs of geestwezens Eleggua, Obatala, Yemaya, Ibeyi en Oya. Van Daalen verdiept zich al enkele jaren in de vodoucultuur. Wat dat te maken heeft met de wet van behoud van energie wordt duidelijk als we er de tekst over vodou op van Daalens website naast leggen. Daarin vergelijkt van Daalen de verering van de LoaÕs of goden van de vodou met de rooms-katholieke heiligencultus:

 

Met Vodou leven betekent: de wereld ervaren als een magisch universum. Een Vodou-god of ÔloaÕ, ook wel gespeld ÔlwaÕ, en uitgesproken als het Franse ÒloiÓ, ÔwetÕ, ÔrechtÕ, is een entiteit in Vodou, en heeft meer de status van een heilige of een engel (zonder de bijbehorende kuisheid), dan van wat wij onder ÔgodÕ verstaan. Je dient ze door ze iets te geven, en dan wat terug te vragen. Een keurige handelsovereenkomst: ik doe wat voor jou, jij doet wat voor mij. Dat terugvragen gaat gewoon in het hier-en-nu.

 

Zichtbare energie verdwijnt niet, maar wordt omgezet in iets anders. Je brengt een offer aan de LoaÕs om dan wat terug te vragen. Zo ook voert het ik in de dichtbundel de bijhorende rituelen uit voor ÔElugguaÕ, opdat deze ÔOrishaÕ haar wensen zou vervullen:

 

               ik steek een kaars aan voor Eleggua

               ik blaas sigarenrook op zijn beeltenis

               ik sprenkel rum over de spitse haarlok op zijn hoofd

 

               doe mij open, mijn Eleggua

               Eleggua verleent hun allen doorgang tot mijn wensen en geschenken

               ik zie de weg die zich vrij uitstrekt van wereld tot wereld en mij wenkt (p. 72)

 

Voor wat hoort wat: dat ook vodou de natuurwet kan belichamen die haar naam gaf aan de titel van de bundel, mag duidelijk zijn. Tegelijkertijd illustreert de referentie aan het Ha•tiaanse gezegde een andere vorm van behoud van energie. De wet uit de wetenschappen vindt net zo goed zijn belichaming in de vodou als in de wraak van de gekwetste vrouw. Dezelfde motieven keren terug in telkens andere vormen: ook dat is natuurlijk behoud van energie. Het meest opzichtig zijn die re•ncarnaties aanwezig in de vele godinnenfiguren die de bundel bevat: Ôen als Athena terugkeert  - maar godinnen zijn altijd aanwezig, roep mij en ik ben er (ik ben er)Õ, schrijft van Daalen dan ook (p. 18). Venus, NikŽ en Athena worden in dezelfde strofe van het titelgedicht vernoemd en verderop in de bundel duikt Oshun op, de Venus onder de OrishaÕs. Ook het motief van geweld herhaalt zich in andere gedaanten. De mishandeling door de gewelddadige minnaar roept de herinnering op aan de ondervraging van de vader tijdens de oorlog:

 

               ik ga weg, hoor je me, en ik kom nooit meer terug

               als je niet opzij gaat, ga ik slaan, sla dan, je sloeg

               een gat

                              ik zag ver door de opening de nacht

                              in 1942, toen mijn vader fietste

                              van Den Haag naar Eindhoven, ontweek de Duitse linies

                              om zijn vrouw te kunnen zien

                              [É]

                              maar hoe hij thuiskwam in die winternacht

                              in de bezetting, gevangen en geslagen

                              en ondervraagd, we wisten later nooit

                              of hij verrader of verraden was

                              bijna zijn hele knokploeg werd gefusilleerd

                              hij droeg het in zijn lichaam met zich mee

                              in ruggenwervels, stukgebeukt, dezelfde diepe breuk

               die jij sloeg, die nacht (p. 16)

 

De geschiedenis herhaalt zich voortdurend:

 

               en zo

               is mijn geschiedenis

ook jouw geschiedenis (p. 15)

 

In die zin kunnen we de wet van behoud van energie beschouwen als een variant op de cyclische visie die ook in van Daalens vorige bundels telkens opdook. ÔHoezo is de tijd lineair? / een snoer sluit vast om de hals, / een krans bevat zelfs mijn hartslagÕ, schreef ze in haar ÔRozenkransÕ in Het geschenk // De maker (1996). De regels bekleden blijkbaar een centrale plek in haar po‘tica, want ze citeert ze op de openingspagina van haar website. De terugkeer van dat motief in De wet van behoud van energie illustreert eens te meer dat van Daalen sinds haar debuut in 1989 met de bundel Raveslag een consistent oeuvre aan het opbouwen is. Haar werk wordt vaak gesitueerd binnen de autonome traditie met Kouwenaar en Faverey als belangrijke invloeden. Tegelijkertijd zijn haar gedichten zo eigenzinnig en divers dat ze onmogelijk in een hokje onder te brengen zijn: van Daalen schrijft veel klassieke sonnetten, maar experimenteert ook met de mogelijkheden van digitale po‘zie. De reeds genoemde cyclus ÔRozenkransÕ is daarvan een voorbeeld. Toch zijn het vaak dezelfde themaÕs en motieven die terugkeren, zoals de reeds genoemde verweving van geweld (er wordt heel wat gebroken, gesneden en gescheurd bij van Daalen) met erotiek en lichamelijkheid.

Ook de religieuze ondertoon vormt al sinds van Daalens debuut een constante. Dat blijkt in deze bundel niet enkel uit de vele allusies op vodou, maar net zozeer uit de belangrijke rol die katholieke rituelen in haar po‘zie spelen. Ook in de daarnet genoemde betekenis van cycliciteit krijgt de wet van behoud van energie een  religieuze invulling, met name in de vele verwijzingen naar Aswoensdag, de dag waarop de christenen ritueel herdenken dat ze van stof zijn en tot stof zullen wederkeren. ÔAl wat gemaakt isÕ opent met de regels: ÔNeem mij en eet. Ik ben een maaltijd. Voor de levenden. De doden hebben hun deel. Een mens van stof, een levende ben ik. Klei die soepel weerkeert tot zijn makerÕ (p. 82). En het gedicht ÔPasenÕ – het feest van de verrijzenis, alweer een illustratie van de wet van behoud? – eindigt dan weer als volgt:

 

               De wereld aan mijn voeten,

               de doden in de grond.

 

               En ergens, uitbloeiend, bottend,

               een nieuwe tuin

               en verse aarde. (p. 86)

 

Veel meer dan met dood is religie in de bundel echter verbonden met schepping. Knipoogjes naar het boek Genesis zijn overvloedig aanwezig. Zo stelt van Daalen zich in het gedicht ÔEvaÕ (p. 36) voor hoe uit het klokhuis van die eerste appel een boom ontstond. ÔEvangelieÕ (p. 70) opent met de zin ÔIn den beginne was het woord en het woord was grasÕ en het titelloze slotgedicht van de bundel bevat de regels ÔFiat Lux. / Er zij lichtÕ (p. 87). Het opvallendste spel met het scheppingsverhaal vinden we in het sonnet ÔTheaterÕ:

 

Theater

 

Is er chaos in de zwarte nacht? ÔOntsta, licht,Õ

zeg ik, en nu het zich door de ruimte boort

begint het universum, met een werkwoord,

met beweging. Ik sta levend in het zicht.

 

Wie heeft ze ingehangen en ze gericht,

de lampen van zon en volle maan? Mijn soort

muze wacht niet af maar plant me helder voort

in taal en teken, als het levensbericht

 

van een mens die vorm krijgt, de mijne, en stem

nu ik dit tot aanschijn roep. Ik ben erbij.

Echt is vreemder dan ik kan verzinnen

 

en ik spreek dezelfde waarheid die ik ben

en die de wereld is die bestaat in mij.

Het spel van licht en donker gaat beginnen. (p. 37)

 

De fascinatie voor het scheppingsverhaal betreft vooral de talige, po‘ticale dimensie ervan. Als God zegt ÔEr zij lichtÕ, dan is er licht: in Genesis vervult de taal de meest extreme vorm van performatieve functie. Het ik in ÔTheaterÕ streeft naar een even grotemacht, naar eenzelfde religieuze eenheid van taal, wereld en ik: ÔMijn soort / muze wacht niet af maar plant me helder voort / in taal en teken, als het levensbericht // van een mens die vorm krijgt, de mijne, en stem / nu ik dit tot aanschijn roep. Ik ben erbijÕ. Daarmee zijn we bij weer een andere invulling van de wet van behoud van energie. Spreken (en schrijven) is in de po‘zie van van Daalen een religieuze en tegelijkertijd erotisch-lichamelijke ervaring die een (tekst)lichaam voortbrengt. Dat de dichteres, die Middelnederlandse letteren studeerde, dweept met de mystieke po‘zie van Hadewijch, voor wie de religieuze extase bereikt worden in een lichamelijke eenwording met Christus, zal dan ook niet verwonderen.

God schiep de mens naar zijn evenbeeld, zegt Genesis. Het lichaam dat door de scheppingsact van het sprekende ik ontstaat kan dan ook beschouwd worden als een evenbeeld van dat ik. De woorden zijn Ôhet levensbericht / van een mens die vorm krijgt, de mijne, en stem / nu ik dit tot aanschijn roep. Ik ben erbijÕ. Of ook: ÔIk spreek dezelfde waarheid die ik benÕ. Tegelijkertijd echter legt het gedicht de afstand bloot tussen dat sprekende ik en het tekstuele ik-lichaam: ÔEcht is vreemder dan ik kan verzinnenÕ. De religieuze eenwording van het ik met het talige lichaam is een utopie; als het ik ÔEr zij lichtÕ zegt, zijn het de toneellampen van het theater die aanfloepen. Volgens Hans Groenewegen stoelt de po‘tica van van Daalen dan ook op een Ôtaalfilosofie waarin de scheiding van denken (taal) en lichaam (ervaring) centraal staat. Het belangrijkste verlangen van de mens is volgens haar gericht op het samenvallen van beide. Dat verlangen is echter onmogelijk in de praktijk te realiseren, omdat alles wat daarover gezegd wordt, juist die scheiding benadrukt. Daarom schrijft zij: Òmijn taal bestaat in pijn; taal onderscheidt en scheidt, legt uiteen en houdt vervolgens de wond openÓÕ (Groenewegen 1995, p. 4).

Het sprekende ik heeft bij van Daalen als schepper weliswaar oorspronkelijk de macht, maar het tekstuele lichaam dat het voortbrengt gaat al snel een eigen leven leiden en neemt de controle over. Dat proces wordt heel expliciet – en weerom in beelden van een tegelijkertijd religieuze en erotische extase - beschreven in de slotstrofe van het gedicht Ôpsalm 22Õ:

 

Toen hij wegging is het vers gescheurd.

Vanuit het gescheurde is het begonnen

te bloeden tot het vleugels had

en met de slagpennen de weg beschreef

vanuit de diepten, de profundis, naar het licht. (p. 12)

 

De verlangde eenheid met de taal mag dan onbereikbaar zijn, dat neemt niet weg dat er zich tussen het ik en zijn taal een voortdurende uitwisseling van energie voordoet. Taal wordt in de bundel keer op keer gepersonifieerd tot een levend beweeglijk lichaam. Na de gewelddadige breuk tussen de minnaars in ÔDe wet van behoud van energieÕ zijn niet enkel de glazen en gordijnen versplinterd en gescheurd, maar ook de woorden en zinnen:

 

               oh kijk, het werkwoord schreeuwen is gebroken, halve zinnen

               zijn diep in het tapijt getrapt

               of met een vinger op de ruit geschreven (p. 14)

 

En wanneer het evenwicht zoek is in de liefdesrelatie, verliest ook de grammatica haar samenhang:

 

               als ik niet veilig in mijn lichaam ben

               wordt de grammatica onsamenhangend

               verdwijnt het voegwoord tussen aarde, taal en bloed. (p. 15)

 

Die wisselwerking tussen het ik en de taal, ook dat is een voorbeeld van de wet van behoud van energie, zoals het volgende fragment illustreert:

 

Tussen jou en mij: wat een sterren. Wat een kussen, mond op halfgeopende mond, wat een neerdwarrelende bloesems.

Het uitspansel is een weefsel van vertrouwen, uit draden gesponnen van woorden. Wij voeden de regels, de syntaxis, de grammatica met onze liefde, met onze grote vriendschap. Met de actie van schrijven, van lezen en terugschrijven.

               Ik heb je lief in onze woordenblozende geliefde, hŽ ho zusje. (p. 79)

 

Vaak echter zijn de rollen omgekeerd. Dan is het niet het ik dat zijn ÔenergietoestandÕ overdraagt aan de taal, maar is het veeleer zo dat het ik de werkelijkheid pas via die categorie‘n en structuren van de taal kan ervaren. Heel beeldend gebeurt dat in het gedicht ÔDe landaanwinnerÕ, waarin een kind pas nadat het met zijn vinger woorden heeft geschreven op het bewasemde vensterglas, de werkelijkheid kan zien:

 

De leerling ademt woorden op het raam.

Het wordt doorzichtig waar zijn vinger schrijvend

hun vormen trekt, letter na letter. Blijvend

verschijnt de werkelijkheid door de naam. (p. 26)

 

Of nog, in hetzelfde gedicht: zoals de herder voor zijn schapen pas nieuw land kan openen wanneer hij ze heeft samengedreven, zo kan de kunstenaar het universum alleen naar zijn hand zetten als hij de betekenissen hoedt.

 

               [É] De tekenaar ziet

geluiden en verzamelt als een herder

 

bewegingen die schemeren door taal

totdat een glazen schrift ontstaat, doorlopend

richt hij het universum met de hand

 

die betekenissen hoedt, allemaal

aanwezig, in het wijde dat hij opent

drijft hij de vele stiltes naar nieuw land. (p. 26)

 

Op alle niveaus van de bundel manifesteert zich zo de wet van behoud van energie. Tussen de taal, het lichaam, de aarde en het ik doet zich een onophoudelijke wisselwerking voor. Alles is dan ook voortdurend in beweging in de po‘zie van van Daalen. Stilstand, maar net zozeer oneindigheid of eeuwigheid zijn een vergissing, lezen we in ÔPlotinus mobielÕ:

 

               Niemand geneest van de onsterfelijkheid

               of van het denken. Ik denk eeuwigheid.

               Ik denk dat het altijd zo is.

 

               Maar dat is een vergissing, zeg.

               Alles beweegt. Dus ook het hoofd,

               de neuronen, de voorouders, de dikkopjes en de vruchtzettende bloemknoppen

               die bezig zijn te zoeken naar uitbarsten in druiven, bessen, korianderkorrels en

[paprikaÕs. (p. 56)

 

De dynamiek spat van elke bladzijde af: door de levendige lichamelijke beeldspraak, door de eclectische vermenging van registers, gaande van spreektalige tot exaltisch-religieuze verzen, door de verweving van culturen, gaande van christendom tot vodou en van Almere tot MontrŽal of ook door de diversiteit aan tekstsoorten in de bundel, gaande van gebeden en lange prozagedichten tot ware sonnetten.

In ÔAl wat gemaakt isÕ doet, naast ÔikÕ, aarde, lichaam en taal, ook een ÔjeÕ zijn intrede in dat dynamisch stelsel van transformaties:

 

[É] Wees mij. Open de klei, en maak mij tot wie jij bent. Kneed het lichaam, zodat het antwoord geeft met de stem van aarde. Kneed de klei, niet te kort, zodat de vorm naar haar uiterste spanning groeit, en niet te lang, zodat de klei niet bros wordt. Kneed mij totdat ik jou kan meedragen in elk van mijn rondingen, totdat je in elke spier het antwoord voelt op de lichte, tintelende spanning van mijn vorm. Mijn lichaam, jouw lichaam. (p. 82)

 

Die ÔjeÕ zouden we ook hier kunnen identificeren met de taal als minnaar van het ik, als lichaam waarmee het ik een erotische relatie aangaat. De gebiedende wijs verleent het gedicht evenwel een scherpe, indringende toon waardoor de lezer rechtstreeks wordt aangesproken en meegezogen in de tekst. Daardoor wordt ook de lezer tot minnaar gebombardeerd. Hij wordt opgeroepen om het (tekst)lichaam te kneden en naar zijn hand te zetten, maar ook om zich te laten meedragen in de rondingen ervan. Zo krijgt ook de lezer een rol toebedeeld in die religieuze en tegelijkertijd erotische uitwisselingen, in dat dynamische systeem van behoud van energie dat Maria van Daalens jongste bundel doordesemt.

 

Maria van Daalen, De wet van behoud van energie. Amsterdam, 2007.

www.mariavandaalen.nl

 

Jean-Paul Den Haerynk, ÔOp de lippen, op de snee. Maria van Daalen Òdicht, openÓÕ, in: Yang. Vol. 31 (1995), nr. 168, p. 76-82.

Hans Groenewegen, ÔMaria van DaalenÕ, in Kritisch Literatuur Lexicon. Groningen, 1995.

 

 

 

Spannende sonnetten

 

Thomas Vaessens

© Thomas Vaessens, overgenomen met toestemming auteur

 

Wie schrijft er nog sonnetten? Welke dichter committeert zich nog aan strenge formele voorschriften? Afgezien van een anachronistische figuur als Jean Pierre Rawie zijn er dat niet zo veel. Gerrit Komrij doet het zo af en toe, Jan Kal, de plezierdichters – het zijn toch een beetje de paljassen van de po‘zie die zich nog aan sonnetten wagen. Er is er natuurlijk ook Jan Kuijper, maar als serieuze dichter staat hij betrekkelijk alleen in zijn trouw aan het stramien van de veertien regels. Onder echte dichters is het vrije, ongebonden vers in de mode.

               Maria van Daalen trekt zich van deze mode niets aan. In haar nieuwe bundel Yo! de liefde heeft zij, net als in de vorige (Elektron, muon, tau), rigoureus voor de sonnetvorm gekozen. Al vanaf haar debuut in 1989 is deze dichter in de weer geweest met gesmede vormen. Voorlopig hoogtepunt was in dit opzicht de cyclus ÔRozenkrans, of het gebed voor een goede doodÕ uit de bundel Het geschenk//De maker (1996), waarbij zij zelfs een schematische weergave af liet drukken van de bijzondere compositie – een meetkundige notatie van het grondplan van de krans die een onwrikbare ordening suggereerde.

               Maar er zit iets paradoxaals aan Van Daalens compositorische discipline. Dit blijkt bijvoorbeeld wanneer zij dezelfde cyclus later op internet publiceert (te vinden via www.users.castel.nl). De reeks kan daar door de lezer op verschillende manieren op het scherm getoverd worden (van voor naar achteren, cirkelend, of kriskras), waardoor er van de op papier vastgelegde orde uiteraard niets overblijft.

               Ook in Yo! de liefde zien we het paradoxale karakter van de strakke vorm terug. Van Daalens toewijding voor de gedisciplineerde sonnetvorm is des te opvallender wanneer je bedenkt wat de inhoud is die ze in het keurslijf van de sonnetvorm perst: liefde en seksualiteit. Het lijkt erop dat Van Daalen zichzelf de taak heeft gesteld binnen veertien regels orde te scheppen in een van de ongrijpbaarste dingen. Dat die strakke vorm een pantser is tegen de heftigheid van de emotie.

               Tegelijkertijd rekt deze dichter die vorm op, wat een fascinerend spel oplevert met de grenzen van wat in een sonnet kan en mag. De spanning van emotie en discipline wordt nog versterkt door een vergelijkbare paradox: zowel in vorm (het sonnet) als in inhoud (de vaak redenerende toon) is dit tamelijk rationele po‘zie, terwijl de dichter tegelijkertijd streeft naar een zo irrationeel en direct-fysiek mogelijke ÔlijfelijkheidÕ. Spannende po‘zie, derhalve, waarin het draait om een bijzondere invulling van het oeroude conflict tussen lichaam en geest. Van Daalen dicht over het lichaam en over de moeizame, want door het on-lichamelijke verstand gestuurde, manier waarop de mens zich met dat lichaam moet zien te verstaan. Het is de po‘zie die hier een brug moet slaan. Vanuit de wortels van de pijn groeit het lied, dicht Van Daalen: het sonnet wil het lichaam zijn dat door de geest wordt bewoond.

               De bundel sluit na een reeks van eenentwintig sonnetten af met de kleine afdeling ÔOefeningenÕ. Wie denkt dat Van Daalen in deze vijf ÔŽtudesÕ aan het eind van een strak gecomponeerde bundel sonnetten de teugels nog even laat vieren, komt bedrogen uit. Zo is er het gedicht ÔRefereynÕ, dat een fraai staaltje (hogere) rederijkerij laat zien: strofenlengte, rijmschema en stokregel stonden tevoren vast. Een stokregel is een steeds terugkerende regel die het thema van het gedicht bevat. Bij Van Daalens is de stokregel aan de middeleeuwse mystica Hadewijch ontleend: Ôden oversten wech in mijn ghebrukenÕ.

               Deze regel maakt bij Hadewijch deel uit van een fragment dat, in de vertaling van Imme Dros, als volgt luidt: ÔJe grote ongestilde verlangen naar liefde / heeft je gevoerd tot de hoogste weg naar eenwording / met mij / iets wat ik van het begin van de wereld heb / verlangd en waarvoor jij dikwijls met kwellend / verlangen betaald hebt en betalen zultÕ. Het is een mooie omschrijving van waar het in Van Daalens po‘zie om gaat. Er is een wanhopig verlangen naar samensmelting in liefde. Dat verlangen kan niet gestild worden maar wel voortdurend gevoed door glimpen van gelukzaligheid. Een mystieke gelukzaligheid die, net als bij Hadewijch, toch zeer aards gedacht moet worden. In hetzelfde ÔRefereynÕ lezen we bijvoorbeeld regels als deze:

 

Prince, heerlijk aanwezig, blijf hier hangen

als een naald in een groef maar dieper. Vlucht

in me, wil me nog urenlang stangen

en niet voorbijgaan (É)

 

Dat het eerste woord, ÔPrinceÕ, in de klassieke versleer een ander woord is voor ÔrefereynÕ, geeft nog maar eens aan hoezeer dichten, liefde en seksualiteit in Van Daalens po‘zie met elkaar verweven zijn.

 

Maria van Daalen, Yo! de liefde. Gedichten. Uitgeverij Querido, Û 15,50.

 

Gedicht:

 

Het schrijven van een sonnet in september

gaat gepaard met herinneren, ik liep daar

langs de zee en dacht aan je, en jij zei: ÔMaar

niet nu, het schikt niet dat je belt,Õ en je stem

 

klonk zenuwachtig, alsof ik je had klem-

gezet tussen liefde en lichaam, en waar

was je? Dichtbij me? Als ik voor me uitstaar

keert die ene golf kalm om op het gember-

 

kleurige zand en breekt en sleept zichzelf mee

terug het water in. Mijn lichaam voelt trekken

en ebben, het verlangt naar overgave

 

en zet zich schrap. Liefhebben is gehavend

loslaten om uit deze vorm te lekken

en weer omhoogkomen in dezelfde zee.